Rode draad doorheen de les: Sander verkoopt sneakers via zijn online webshop. Hij koopt ze in bij een groothandel en verkoopt ze verder aan klanten. Aan de hand van zijn winkel leer je alle begrippen kennen.

Inkoopprijs

Wat betaal jij aan de leverancier?

De inkoopprijs is het bedrag dat jij betaalt om een product aan te kopen bij een leverancier of groothandel. Dit is de prijs voordat jij er iets aan verdient.
Voorbeeld — Sanders webshop

Sander koopt een paar sneakers bij een groothandel in Amsterdam. Hij betaalt 40 euro per paar. Dat is de inkoopprijs.

Kostprijs

Wat kost het product je echt, alles inbegrepen?

De kostprijs is de inkoopprijs plus alle extra kosten om het product bij de klant te krijgen: verpakking, transport, opslag... De kostprijs is altijd hoger dan de inkoopprijs.
Kostprijs = Inkoopprijs + Extra kosten per product
Voorbeeld — Sanders webshop

Sander betaalt 40 euro voor de sneakers. Maar hij rekent ook: 3 euro verpakking (doos, papier) + 2 euro opslag in zijn magazijn. Zijn kostprijs = 40 + 3 + 2 = 45 euro per paar.

Omzet

Hoeveel geld komt er binnen via verkopen?

De omzet is het totale bedrag dat een bedrijf ontvangt door producten of diensten te verkopen. Het is simpelweg: hoeveel je verkoopt keer de verkoopprijs. Van dit geld moeten nog wel alle kosten betaald worden.
Omzet = Aantal verkochte producten × Verkoopprijs
Voorbeeld — Sanders webshop

Sander verkoopt de sneakers voor 75 euro per paar. In januari verkoopt hij 100 paar. Zijn omzet = 100 × 75 = 7.500 euro.

Kosten

Wat geeft het bedrijf uit om te werken?

Kosten zijn alle uitgaven die een bedrijf maakt om te kunnen werken. We kunnen kosten op twee manieren indelen:
Kosten die in de kostprijs zitten

= kosten om het product klaar te maken voor verkoop

  • Inkoopprijs — wat je betaalt aan de leverancier
  • Transport naar jou — verzendkosten van leverancier naar jouw magazijn
  • Verpakking per product — doos, beschermmateriaal
  • Opslag per product — kosten om het product te bewaren tot verkoop

Deze kosten zijn variabel: hoe meer je inkoopt, hoe hoger ze zijn.

Kostprijs = inkoopprijs + transport + verpakking + opslag
Dit zijn de kosten vóór de verkoop.
Kosten van de bedrijfsvoering

= kosten om het bedrijf draaiende te houden

  • Huur — magazijn, winkel, kantoor
  • Lonen — personeel, jezelf
  • Elektriciteit & verwarming
  • Reclame & marketing
  • Verzekeringen
  • Software, website, boekhouder

Deze kosten zijn meestal vast: je betaalt ze ook als je niets verkoopt.

Dit zijn de kosten die je na de brutowinst nog moet aftrekken.
Samenvattend:

Inkoopprijs + extra kosten per product = Kostprijs
OmzetKostprijs × aantal = Brutowinst
BrutowinstVaste kosten = Nettowinst

Voorbeeld — Sanders webshop

Sander heeft in januari deze kosten:

Kosten in de kostprijs (per product):
— Inkoopprijs sneakers: 40 euro
— Verpakking (doos, papier): 3 euro
— Opslag per paar: 2 euro
Kostprijs per paar = 45 euro
Bij 100 paar = 100 × 45 = 4.500 euro (variabele kosten)

Kosten van de bedrijfsvoering (vast):
— Huur magazijn: 300 euro
— Reclame: 200 euro
Totaal vaste kosten = 500 euro

Totaal alle kosten = 4.500 + 500 = 5.000 euro

Brutowinst

Omzet min de kostprijs

De brutowinst is wat overblijft van de omzet nadat je de kostprijs (= inkoopprijs + variabele kosten) × het aantal hebt afgetrokken. De vaste kosten (huur, lonen, reclame...) zijn dan nog niet meegeteld.
Brutowinst = Omzet − (Inkoopprijs + Variabele kosten) × aantal
Korter: Brutowinst = Omzet − Kostprijs × aantal
Voorbeeld — Sanders webshop

Omzet = 7.500 euro. Kostprijs per paar = 45 euro (inkoopprijs 40 + verpakking 3 + opslag 2). Totale kostprijs = 100 × 45 = 4.500 euro.
Brutowinst = 7.500 − 4.500 = 3.000 euro. Maar Sander moet hier nog de vaste kosten (huur + reclame) van betalen!

Nettowinst

Wat blijft er echt over na ALLE kosten?

De nettowinst is wat het bedrijf echt overhoudt na aftrek van alle kosten. Dit is het echte resultaat. Als de nettowinst negatief is, heeft het bedrijf verlies gemaakt.
Nettowinst = Omzet − Alle kosten
Voorbeeld — Sanders webshop

Omzet = 7.500 euro. Alle kosten = 5.000 euro.
Nettowinst = 7.500 − 5.000 = 2.500 euro. Dit is wat Sander echt verdient in januari.

Hoe hangen de begrippen samen?

Dezelfde cijfers van Sanders webshop, stap voor stap.

Stap 1 — Omzet
100 paar × 75 euro = 7.500 euro omzet
Alles wat binnenkomt via verkopen
Stap 2 — Inkoopkosten (kostprijs × aantal)
100 paar × 45 euro = 4.500 euro
Inkoopprijs (40) + verpakking & opslag (5) = kostprijs 45 euro
Brutowinst
7.500 − 4.500 = 3.000 euro
Nog niet de echte winst — andere kosten komen er nog af
Stap 3 — Vaste kosten
Huur (300) + Reclame (200) = 500 euro
Blijven gelijk ongeacht hoeveel paar Sander verkoopt
Nettowinst — het echte resultaat
7.500 − 5.000 = 2.500 euro
Variabele kosten (4.500) + vaste kosten (500) = alle kosten (5.000)

In dit voorbeeld

Inkoopprijs
40 euro
per paar, bij de groothandel
Kostprijs
45 euro
inkoop + verpakking + opslag
Verkoopprijs
75 euro
wat de klant betaalt
Omzet
7.500 euro
100 paar × 75 euro
Brutowinst
3.000 euro
omzet − inkoopkosten
Nettowinst
2.500 euro
omzet − alle kosten

Oefening 1 — Sportwinkel

Een sportwinkel koopt voetballen in bij een leverancier en verkoopt ze in de winkel. Gebruik onderstaande gegevens om de vragen te beantwoorden.

Inkoopprijs per voetbal12 euro
Verpakking per voetbal1 euro
Verkoopprijs per voetbal25 euro
Aantal verkocht in maart80 voetballen
Huur winkel (maart)600 euro
Loon medewerker (maart)400 euro
  • 1Wat is de kostprijs per voetbal?
  • 2Wat is de omzet in maart?
  • 3Wat is de brutowinst in maart?
  • 4Wat is de nettowinst in maart?
Antwoorden
1. Kostprijs = 12 + 1 = 13 euro per voetbal
2. Omzet = 80 × 25 = 2.000 euro
3. Inkoopkosten = 80 × 13 = 1.040 euro  →  Brutowinst = 2.000 − 1.040 = 960 euro
4. Vaste kosten = 600 + 400 = 1.000 euro  →  Nettowinst = 2.000 − 1.040 − 1.000 = −40 euro (verlies!)

Oefening 2 — Broodjeszaak

Een broodjeszaak verkoopt broodjes aan klanten. De zaak heeft variabele kosten (ingrediënten, verpakking) en vaste kosten (huur, elektriciteit).

Inkoopprijs per broodje (ingrediënten)1,20 euro
Verpakking per broodje0,10 euro
Verkoopprijs per broodje3,50 euro
Aantal verkocht per maand1.200 broodjes
Huur + elektriciteit800 euro
  • 1Wat is de kostprijs per broodje?
  • 2Wat is de maandelijkse omzet?
  • 3Wat is de brutowinst?
  • 4Wat is de nettowinst?
  • 5De eigenaar wil zijn prijs verhogen naar 4 euro. Bereken de nieuwe nettowinst.
Antwoorden
1. Kostprijs = 1,20 + 0,10 = 1,30 euro
2. Omzet = 1.200 × 3,50 = 4.200 euro
3. Inkoopkosten = 1.200 × 1,30 = 1.560 euro  →  Brutowinst = 4.200 − 1.560 = 2.640 euro
4. Nettowinst = 2.640 − 800 = 1.840 euro
5. Nieuwe omzet = 1.200 × 4,00 = 4.800 euro  →  Nieuwe nettowinst = 4.800 − 1.560 − 800 = 2.440 euro

Oefening 3 — Sander zijn webshop (terug naar de rode draad)

Sander breidt zijn webshop uit. In februari verkoopt hij niet alleen sneakers maar ook sokken. Bereken de totale nettowinst.

Sneakers: inkoopprijs40 euro
Sneakers: extra kosten per paar5 euro
Sneakers: verkoopprijs75 euro
Sneakers: verkocht60 paar
Sokken: inkoopprijs2 euro
Sokken: extra kosten per paar0,50 euro
Sokken: verkoopprijs6 euro
Sokken: verkocht200 paar
Vaste kosten (huur + reclame)500 euro
  • 1Bereken de totale omzet (sneakers + sokken samen).
  • 2Bereken de totale inkoopkosten.
  • 3Bereken de brutowinst.
  • 4Bereken de nettowinst.
Antwoorden
1. Omzet sneakers = 60 × 75 = 4.500 euro  |  Omzet sokken = 200 × 6 = 1.200 euro  →  Totale omzet = 5.700 euro
2. Kostprijs sneakers = 45 euro → 60 × 45 = 2.700 euro  |  Kostprijs sokken = 2,50 euro → 200 × 2,50 = 500 euro  →  Totale inkoopkosten = 3.200 euro
3. Brutowinst = 5.700 − 3.200 = 2.500 euro
4. Nettowinst = 2.500 − 500 = 2.000 euro
Begrip Betekenis Formule
Inkoopprijs Wat jij betaalt aan de leverancier voor 1 product Gegeven
Kostprijs Inkoopprijs + alle extra kosten per product (verpakking, opslag...) Inkoopprijs + extra kosten
Omzet Totaal bedrag dat binnenkomt via verkopen Aantal × Verkoopprijs
Variabele kosten Kosten die stijgen met het aantal verkopen (inkoop, verpakking, opslag) Kostprijs × Aantal
Vaste kosten Kosten die gelijk blijven ongeacht de verkoop (huur, lonen, reclame) Gegeven
Brutowinst Omzet min de kostprijs — vaste kosten komen er nog af Omzet − Kostprijs × aantal
Nettowinst Wat het bedrijf echt overhoudt na ALLE kosten Omzet − Alle kosten
Onthoud dit verschil:
  • Inkoopprijs = wat jij betaalt voor 1 product, zonder extra kosten
  • Kostprijs = inkoopprijs + alle extra kosten per product
  • Variabele kosten = stijgen mee met de verkoop (inkoop, verpakking...)
  • Vaste kosten = blijven gelijk, ongeacht de verkoop (huur, lonen...)
  • Brutowinst = omzet minus de variabele kosten (vaste kosten nog niet meegerekend!)
  • Nettowinst = omzet minus alle kosten (variabele + vaste)